Een lieveheersbeestje
“Waar ben je?!”, echode Silly’s piepkleine stemmetje bijna onhoorbaar over het meer.
Het was donker, en koud. Te koud en te donker eigenlijk voor een lieveheersbeestje om er nog op uit te zijn.
Diep in de nacht peddelde Silly al roepend over het meer. Een verdort blad, gevallen als één van de eerste tekenen van een aanstaande gure herfst, deed haar dienst als bootje.
”Joehoe! Beertje Beeri, waar ben je?” “Ik mis je heel, héél erg! Antwoord álsjeblieft!”
Een lage, vrij dikke mist hing over het meer. Felle sterren en een bijna volle maan deden hun best Silly bij te schijnen tijdens deze nachtelijke zoektocht. Haar guitige gele dekschildjes staken schril af tegen de bruinige kleur van het blad en het water.
“Ik snap dat je bent geschrokken. Maar laat toch weten waar je bent!”, piepte het lieveheersbeestje lief.

Silly bereikte de overkant van het meer — of was het eigenlijk gewoon een hele grote plas? — en stapte van het blad op de oever. Ze gleed bijna uit, maar het snel en kort uitslaan van haar vleugeltjes behoedde haar voor wat best een lelijke val had kunnen zijn.
Een paar stappen deed ze vooruit, toen ze, plotseling en een paar lieveheersbeestjesmeters van haar vandaan, Beertje Beeri achter een boom hoorde huilen.
“Beertje Beeri…”, fluistervroeg ze zacht. “Ben jij dat?”, vroeg ze toch ook maar voor de zekerheid.
Beertje Beeri antwoordde met een grote snik, wat half klonk als een twijfelend “ja”.
Ze liep nu snel op Beertje Beeri af, knielde naast hem neer, pakte zijn kleine handje vast en zei: “Sorry, het spijt me dat ik je zo liet schrikken. Maar, na al die tijd, wilde ik gewoon eens een keer écht met je praten.”
Ze keek liefdevol naar Beertje Beeri’s betraande stoffen wangen en zijn diepbruine knopen ogen. “Je bent nu niet meer mijn knuffelbeestje, Beertje Beeri. Je leeft nu echt, net als ik.” “Kom je alsjeblieft mee terug? Ik heb je zoveel te vertellen!”
Opdracht: een geel lieveheersbeestje, in het meer, een verloren knuffelbeest
